Terug naar overzicht

06.09.2018 | Onderzoekscall: Uitvoerders gezocht voor onderzoeksprojecten

De Commissie Genetische Modificatie (COGEM) laat ter ondersteuning van haar werkzaamheden onderzoek door derden verrichten. Voor een van deze projecten wordt een uitvoerder gezocht. Geïnteresseerden worden opgeroepen projectoffertes in te dienen.

Offertes kunnen gericht worden aan:             F. van der Wilk, secretaris COGEM; info@cogem.net, (of Postbus 578, 3720 AN Bilthoven)

Indienen van projectoffertes is mogelijk tot: 26 oktober 2018.

Inschrijving op opengestelde projecten is niet aan voorwaarden gebonden en staat open voor elke geïnteresseerde. Oproepen tot inschrijving worden onder meer op de COGEM website en in de e-mail nieuwsbrief gepubliceerd. De commissie streeft ernaar om tenminste drie offertes per project te ontvangen.

De offerte moet tenminste een duidelijke beschrijving bevatten van de voorgestelde werkzaamheden en een inzichtelijke begroting. Dit betekent dat er een duidelijke koppeling moet zijn tussen de begrote kosten en de voorgestelde werkzaamheden onder vermelding van het aantal ingeschatte uren en een specificatie van de uurtarieven.

Het project zal begeleid worden door een commissie van deskundigen. Deze begeleidingscommissie zal in aanwezigheid van de uitvoerders minimaal drie keer bijeenkomen. De uitvoerders zullen de resultaten van hun onderzoek presenteren in een vergadering van een van de subcommissies van de COGEM.

Het Dagelijks Bestuur van de COGEM neemt het besluit over toewijzing van projecten. De voorstellen worden beoordeeld op de volgende criteria:

  • mate van aansluiting bij de onderzoeksvraag;
  • competentie van het onderzoeksteam voor de uitvoering van het voorgestelde onderzoek;
  • helderheid en (wetenschappelijke) kwaliteit van het voorgestelde onderzoek;
  • (uitvoerbaarheid van) het werkprogramma;
  • prijs en kosteneffectiviteit.

 

De volgende projecten staan open voor inschrijving:

1) Experimentele onderbouwing van COGEM formule reductie vrije lentivirale vectordeeltjes
Binnen het biomedisch onderzoek wordt veel gebruik gemaakt van virale vectoren die zijn afgeleid van lentivirussen. Eén van de overwegingen in de risicoanalyse is of na transductie van cellen of weefsel nog zogenaamde vrije lentivirale vectordeeltjes aanwezig zijn. Blootstelling van derden, zoals laboratoriummedewerkers, aan vrije vectorvirusdeeltjes moet voorkomen worden, omdat ze bij besmetting mogelijk kunnen leiden tot schadelijke effecten. De aanwezigheid van vrije vectordeeltjes en hun uiteindelijke concentratie is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de halfwaardetijd van de virusvector en het aantal wasstappen van de cellen na infectie.
In 2009 heeft de COGEM een formule opgesteld om de afname (reductieratio) van het aantal vrije lentivirale vectordeeltjes in een preparaat te kunnen berekenen (COGEM advies CGM/090331-03). Sommige elementen in deze formule berusten echter op theoretische aannames zoals de omvang van de reductie van vrije virusdeeltjes door wasstappen. De halfwaardetijd van lentivirale vectordeeltjes gepseudotypeerd met het VSV-G envelopeiwit is bekend, maar tegenwoordig worden ook vectoren gebruikt die gepseudotypeerd zijn met andere (virale) eiwitten en van deze vectordeeltjes zijn geen halfwaardetijden gepubliceerd. Daarnaast wordt in de formule geen rekening gehouden met het verlies van infectieuze vectordeeltjes bij de beoogde infectie van cellen. De formule is daarmee een theoretische berekening van het ‘worst case scenario’ en de werkelijke reductieratio ligt waarschijnlijk hoger.
Ter verdere verbetering van de milieurisicobeoordeling wil de COGEM daarom laten onderzoeken wat de halfwaardetijden zijn van een aantal van de meest toegepaste gepseudotypeerde lentivirale vectordeeltjes (pseudotypering met G-eiwit rabiësvirus, GALV env, mazelenvirus H- en F-eiwit, RD114 env, MuLV env, of amphotrope envelopeiwitten als 10A1, en 4070A), wat de daadwerkelijke reductie is van wasstappen en met welke reductie die gepaard gaat met de infectie van de cellen, rekening gehouden moet worden in de formule.
Gezien de toepassing van lentivirale vectoren om CAR-T cellen te modificeren en deze cellen vervolgens te infuseren in de mens wil de COGEM ook laten onderzoeken of net als bij VSV-G, andere pseudotyperingen ook leiden tot complement-gemedieerde inactivatie van de vectordeeltjes en of deze vectordeeltjes al dan niet trypsine-resistent zijn.

Doel van het project: Onderbouwing van elementen van de milieurisicobeoordeling met experimentele gegevens

Resultaat: Gegevens over halfwaardetijden van gepseudotypeerde lentivirale vectordeeltjes, reductieratio’s van wasstappen en celinfectie, en inactivatie.

Type onderzoek: laboratoriumonderzoek

 

2) Verspreiding en uitkruising van gg-koolzaad in Nederland
In Europa zijn verschillende gg-koolzaad (Brassica napus) lijnen toegelaten voor import en verwerking. Daarnaast worden met enige regelmaat vergunningaanvragen voor import van nieuwe gg-koolzaadlijnen ingediend. Genetisch gemodificeerde koolzaad is het enige binnen de EU toegelaten gg-gewas dat zich via gemorst zaad in Noord-West Europa kan vestigen. Koolzaad komt voor langs transportroutes (waaronder spoorwegen), bij overslagstations en langs akkerranden. Populaties in Nederland zijn klein en verdwijnen na verloop van tijd. Koolzaad kan in de natuurlijke omgeving met het algemeen in Nederland voorkomende verwante raapzaad (Brassica rapa) kruisen.
Bij overslag en transport van gg-koolzaad kunnen door morsen zaden in het milieu komen en tot opslag van gg-koolzaadplanten leiden. In verschillende landen (waaronder ook Europese landen) zijn (herbicidentolerante) gg-koolzaadplanten langs transportroutes aangetroffen.  In Europa wordt geen gg-koolzaad geteeld, maar in landen waar teelt van gg-koolzaad wel plaatsvindt, is stapeling van meerdere transgenen in een plant ten gevolge van onderlinge uitkruising waargenomen en is overdracht van transgenen van gg-koolzaad naar wild raapzaad waargenomen.
Bij de risicobeoordeling van importvergunningen van gg-koolzaad gaat de COGEM uit van het meest risicovolle scenario dat gg-koolzaad gemorst wordt, zich vestigt en kruist met conventioneel koolzaad of raapzaad en dat stapeling van meerdere transgenen in een populatie zal plaatsvinden. Op voorhand kan niet geheel uitgesloten worden dat een combinatie van transgene eigenschappen tot een schadelijk effect zou kunnen leiden. De COGEM is daarom van mening dat op de aanwezigheid van gg-koolzaadplanten gemonitord moet worden. Dientengevolge heeft de COGEM herhaaldelijk geadviseerd dat het gebruikelijke verplichte monitoringsplan voor import en verwerking van gg-gewassen voor gg-koolzaad uitgebreid moet worden met een verplichting tot monitoring op de aanwezigheid van gg-planten op overslagstations en langs transportroutes.
De COGEM baseert haar advies op bevindingen uit het buitenland, onbekend is of opslag van gg-koolzaadplanten en overdracht van transgene sequenties naar conventioneel kool- of raapzaad in Nederland plaatsvindt. De COGEM wil ter onderbouwing van haar advisering laten onderzoeken of opslag van gg-koolzaadplanten in Nederland plaatsvindt en of transgene sequenties zich naar raapzaadpopulaties verspreiden. Hiertoe moet langs wegen, waterwegen, spoorwegen en overslagstations gezocht worden naar koolzaadpopulaties (waarbij eerdere waarnemingen behulpzaam kunnen zijn) die vervolgens onderzocht moeten worden op aanwezigheid van gg-koolzaad. Aangezien de meeste gg-koolzaadlijnen herbicidentolerant zijn en door gebruik van herbiciden, op bijv. spoorwegtracés, geselecteerd wordt op gg-koolzaad is het voor de hand liggend om deze eigenschap en daarvoor coderende genen centraal te stellen in het onderzoek. Tevens moeten raapzaadpopulaties die zich in de buurt van transportroutes of overslagstations bevinden, onderzocht worden op herbicidentolerantie.

Opzet onderzoek: Het onderzoeksproject bestaat uit twee delen. In het eerste deelproject zal aan de hand van eerder onderzoek en waarnemingen, bekende overslagplaatsen en transportroutes e.d., locaties geïdentificeerd worden waar later bemonsterd zal worden. Ook zal indien mogelijk ingeschat worden of de eerder geïdentificeerde koolzaadpopulaties zich uitbreiden of krimpen. Verder zullen in het eerste deelproject (moleculaire) detectiemethoden ontwikkeld en geverifieerd worden. In overleg met de begeleidingscommissie zal bepaald worden waar bemonsterd zal worden en hoeveel koolzaad- en raapzaadplanten getest zullen worden. In het tweede deelproject zal de daadwerkelijke bemonstering en testen plaatsvinden.

Doel van het project: Inzicht verkrijgen in het voorkomen van gg-koolzaadplanten bij overslagstations en transportroutes en de eventuele verspreiding van transgene sequenties naar raapzaadpopulaties teneinde tot een beter onderbouwd advies over monitoringsverplichtingen bij de import van gg-koolzaad te komen.

Resultaat: kennis over aanwezigheid van gg-koolzaadplanten en of er mogelijk verspreiding van transgene sequenties naar raapzaad heeft plaatsgevonden.

Type onderzoek: veldonderzoek

Onderzoekscall: Uitvoerders gezocht voor twee opengestelde onderzoeksprojecten