Advies Inschaling van werkzaamheden met gg-parasitaire bronswespen
De COGEM is gevraagd te adviseren over het inschalingsniveau voor werkzaamheden met genetisch gemodificeerde (gg-) parasitaire wespen van verschillende soorten, waaronder Nasonia giraulti, Nasonia oneida, Nasonia longicornis, Trichomalopsis sarcophagae, Urolepis rufipes, Pachycrepoideus vindemmiae. Daarnaast wordt advies gevraagd om inschaling van zowel Muscidifurax raptorellus, Muscidifurax uniraptor, en Muscidifurax raptor, als het gehele Muscidifurax-genus. De aanvrager wil genetische aanpassingen uitvoeren door middel van micro-injecties met o.a. CRISPR/Cas-eiwitten bij wespenpoppen en verdoofde volwassen wespen, gevolgd door onderzoek en kweek van de gg-wespen. De DNA-injecties vinden plaats op veiligheidsniveau ML-I; het verdere onderzoek en de kweek in een D-I ruimte.
De wespensoorten lijken sterk op elkaar. Sommige soorten kunnen mogelijk in Nederland overleven; voor andere is dat onwaarschijnlijk, mede omdat de kans dat volwassen wespen de Nederlandse winter overleven, klein wordt geacht. De COGEM adviseert om, naast de genoemde individuele soorten, alleen de reeds beschreven Muscidifurax-soorten in de vergunning op te nemen, en niet het hele genus. Zo kan bij nieuw beschreven soorten eerst worden beoordeeld of de huidige maatregelen volstaan.
De COGEM acht de aanvullende veiligheidsmaatregelen die zij zelf heeft voorgesteld voor werkzaamheden met fruitvliegjes (Drosophila melangaster) noodzakelijk voor de werkzaamheden op D-I, waarbij moet worden gewaarborgd dat ook de kleinste wespensoort niet kan ontsnappen. De COGEM is van oordeel dat de risico’s voor mens en milieu op deze inperkingsniveaus in combinatie met de aanvullende maatregelen, verwaarloosbaar klein zijn.