Advies Inperkingsmaatregelen voor werkzaamheden met vijf genetisch gemodificeerde Petunia-soorten en gg-‘Calibrachoa hybrida’
De COGEM is gevraagd om te adviseren over inperkingsmaatregelen voor werkzaamheden met zes genetisch gemodificeerde (gg-)planten: Petunia axillaris ssp. axillaris, P. inflata, P. integrifolia (synoniem P. violacea), P. exserta, P. axillaris ssp. parodii, en ‘Calibrachoa hybrida’, in verband met plaatsing van deze soorten op Bijlage 7 van de Regeling ggo.
Petunia-soorten (petunia’s) en Calibrachoa-soorten (minipetunia’s) komen oorspronkelijk uit Zuid-Amerika en groeien voornamelijk in subtropische gebieden, maar komen ook voor in gebieden met een gematigd klimaat. Ze kenmerken zich door trechtervormige bloemen, die afhankelijk van de soort verschillende kleuren hebben. Calibrachoa-soorten hebben kleinere bloemen en worden daarom ook wel minipetunia’s genoemd. Zowel petunia’s als minipetunia’s zijn wereldwijd populaire sierplanten voor in de tuin. Calibrachoa-tuinplanten (cultivars) worden collectief ook wel ‘Calibrachoa hybrida’ genoemd. Zowel ‘Calibrachoa hybrida’ als de Petunia-soorten worden bestoven door insecten en verspreiden zich via kleine zaden. In Nederland worden, naast cultivars, incidenteel enkele Petunia-soorten, waaronder P. axillaris en P. integrifolia, en een Calibrachoa-soort in de natuur waargenomen. Er kan niet geheel worden uitgesloten dat de soorten onder gunstige omstandigheden in Nederland kunnen overleven en met hier voorkomende soorten en cultivars zouden kunnen kruisen.
Alles in overweging nemende adviseert de COGEM om bij werkzaamheden met de gg-Petunia-soorten en gg-‘Calibrachoa hybrida’, naast de standaard inperkingsmaatregelen, aanvullende maatregelen te nemen om insectenbestuiving en zaadverspreiding te voorkomen. Zij adviseert bovengenoemde plantensoorten als zodanig in Bijlage 7 op te nemen.