Terug naar overzicht

Publicaties

Adviezen 21.03.2019

Voorstel voor aanpassing van de vrijstelling in de ggo-regelgeving: aanvullende criteria voor het vrijstellen van gg-planten

(CGM/190321-02)

Nederland heeft in de Europese discussie een voorstel ingebracht om gg-planten die aan bepaalde voorwaarden voldoen, vrij te stellen van de verplichtingen die de ggo-regelgeving voor doelbewuste introductie in het milieu (Richtlijn 2001/18/EG) met zich meebrengt. De intentie van het voorstel is om gg-planten die met behulp van nieuwe veredelingstechnieken zijn vervaardigd en een overeenkomstig veiligheidsprofiel hebben als traditioneel veredelde planten, vrij te stellen.
De COGEM is door het ministerie van IenW gevraagd om te adviseren over de criteria waar gg-planten aan moeten voldoen om voor vrijstelling in aanmerking te komen.
De COGEM heeft eerder gesignaleerd dat gg-planten die met bepaalde technieken (zoals gerichte mutagenese en cisgenese) zijn verkregen, voor een vrijstelling in aanmerking komen, omdat de risico's van deze gg-planten vergelijkbaar zijn met die van traditioneel veredelde planten. Het Nederlandse voorstel maakt een vrijstelling van deze planten mogelijk.
De COGEM merkt op dat de voorgestelde criteria voor meerdere uitleg vatbaar zijn, waardoor ook gg-planten waarvan niet op voorhand gesteld kan worden dat zij even veilig zijn als traditioneel veredelde planten, mogelijk voor een vrijstelling in aanmerking zouden kunnen komen. De COGEM stelt daarom een tekstuele aanpassing van de criteria voor.