Terug naar overzicht

Publicaties

Adviezen 20.10.2005

Richtlijnen voor het selecteren van niet-doelwitorganismen in het kader van de milieurisicobeoordeling bij de marktintroductie van genetisch gemodificeerde gewassen

(051020-01)

Bij een vergunningaanvraag voor teelt van genetisch gemodificeerde (gg-) gewassen moeten door de aanvrager gegevens verstrekt worden over ondermeer de mogelijke schadelijke effecten van het gg-gewas op organismen waartegen de werking van het ingebrachte gen niet is gericht; de zogeheten niet-doelwitorganismen. De COGEM is van mening dat toetsen op niet-doelwitorganismen alleen in die gevallen hoeft plaats te vinden waarbij het aannemelijk is dat de werking van het ingebouwde transgen een mogelijk nadelig effect kan hebben op niet-doelwitorganismen. Indien toetsen op niet-doelwitorganismen nodig wordt bevonden, beveelt de COGEM voor de selectie van relevante niet-doelwitgeleedpotigen de volgende procedure aan. Voor ieder gewas afzonderlijk moet een gewasgerelateerd ecologisch voedselweb worden opgesteld van geleedpotigen die zich binnen en in de nabijheid van het gewas begeven en geen doelwitorganisme zijn. De COGEM heeft voor de drie gewassen koolzaad, maïs en aardappel gewasspecifieke ecologische voedselwebben laten opstellen voor de Noordwest-Europese situatie. Uit de opsomming van deze niet-doelwitgeleedpotigen moeten vervolgens geleedpotigen worden geselecteerd die aan één of meerdere van de volgende criteria voldoen (zie annex 1): 1) gevoelig voor óf blootgesteld aan hoge concentraties van de stof geproduceerd door het ingebrachte gen, 2) van ecologisch of economisch belang of 3) zeldzaam óf met uitsterven bedreigd. Daarbij moeten de geselecteerde geleedpotigen representatief zijn voor grotere groepen, commercieel verkrijgbaar of eenvoudig te kweken zijn en waar mogelijk toepasbaar zijn voor andere gewassen en voor de verschillende geografische gebieden binnen Europa. Indien het aannemelijk is dat niet-doelwitgeleedpotigen een nadelig effect kunnen ondervinden van het gg-gewas, zal de uiteindelijke selectie vier tot zes geleedpotigen omvatten die per gewas/gencombinatie getoetst moeten worden.