Terug naar overzicht

Publicaties

Adviezen 10.09.2013

Inschaling in vivo werkzaamheden met gg-CAdV

(CGM/130902-01)

De COGEM is verzocht te adviseren over de omlaagschaling van werkzaamheden met ratten en muizen die geïnjecteerd zijn met genetisch gemodificeerd canine adenovirus (gg-CAdV) al dan niet in combinatie met genetisch gemodificeerd adeno-associated virus (gg-AAV). Beide typen virusdeeltjes zijn replicatie-deficiënt en worden in de hersenen van ratten of muizen geïnjecteerd om de signaaloverdracht in de hersenen te kunnen bestuderen.
De aanvrager heeft voor de injectie van de virusdeeltjes in muizen en ratten en daaropvolgende huisvesting een vergunning op DM-II inperkingsniveau. Naar aanleiding van een eerder wijzigingsverzoek is het de aanvrager toegestaan om dieren een week na transductie met gg-AAV te verplaatsen naar D-I inperkingsniveau. De aanvrager verzoekt nu ook de dieren die getransduceerd zijn met gg-CAdV al dan niet in combinatie met gg-AAV een week na toediening naar D-I te mogen overbrengen.
CAdV leidt tot een milde infectie van de luchtwegen van honden. Het wordt niet aangetroffen in andere dieren en lijkt niet te repliceren in ratten- of muizencellen. Voor de productie van gg-CAdV wordt gebruik gemaakt van een productiesysteem waarin de kans op het ontstaan van replicatiecompetent CAdV door homologe recombinatie is geminimaliseerd. Tevens blijkt uit onderzoek van de aanvrager dat gg-CAdV zeer snel uit het bloed van ratten wordt verwijderd en reeds na 1 dag niet meer in het bloed aangetoond kan worden. Het is niet bekend of gg-CAdV op eenzelfde snelle wijze uit het bloed van muizen wordt verwijderd.
Op basis van de beschikbare informatie adviseert de COGEM de werkzaamheden met ratten een week na transductie met gg-CAdV, al dan niet in combinatie met gg-AAV op D-I inperkingsniveau in te schalen. Op dit inperkingsniveau acht zij de risico’s voor mens en milieu van beschreven getransduceerde ratten verwaarloosbaar klein. Eenzelfde omlaagschaling van getransduceerde muizen acht de COGEM echter onvoldoende onderbouwd en adviseert zij op DM-II te handhaven.